P E D A G O G I E K . N E T

 

donderdag 29 juli 2010

sitemap home
nieuws dossiers thema's portal zoeken
   

NIEUWS

  • Algemeen nieuws
  • Jeugdzorg
  • Onderwijs
  • Opvoeding
  • Wetenschap


    © Peter van Straaten

    afbeelding is opklikbaar

    R. A. Gardner 1931-2003

    © http://www.rgardner.com/

    afbeelding is opklikbaar

    artikel printen

    NIEUWS »


    Ouderverstoting: een omstreden syndroom
    publicatiedatum: 03-05-2004 17:15:27 | laatst gewijzigd: 20-01-2005 20:39:40 | auteur: Sanne Bosmans

    "Ik kan mijn vader niet uitstaan, ik haat hem" en "Ik wil mijn moeder nooit meer zien" zijn uitspraken van kinderen die hun ouder verstoten. Het komt tegenwoordig vaak voor dat een kind het contact met de ouder, zonder aanwijsbare reden, verbreekt. Het Ministerie van Justitie meent dat zo'n 5 procent van alle kinderen die bij een scheiding betrokken zijn het contact met een van de twee ouder verliest. Organisaties van ouders die hun kinderen niet mogen zien, schatten dit aantal veel hoger in en spreken over 40 procent (Telegraaf, 27 december 2000). Als oplossing voor de contactbreuk tussen ouder en kind wil de Tweede Kamer meer sanctiemiddelen voor de gescheiden ouders ter beschikking stellen, zodat ze de afspraken over de kinderen wel nakomen. (ANP, 22 april 2004).

    Ouders raken na een scheiding vaak in een machtsstrijd verwikkeld. Die kan leiden tot verstoting van één van de ouders door de kinderen. Dat kinderen zonder aanwijsbare reden het contact met één of beide ouders verbreken, wordt ook wel het ouderverstotingssyndroom genoemd. Is dit terecht? Hoe ziet het eruit en hoe serieus moeten we dit verschijnsel eigenlijk nemen?

    Gegronde redenen

    De redenen waarom een kind het contact met de ouder(s) verbreekt, kunnen uiteenlopen. Het ene kind komt in aanraking met foute vrienden en belandt in het criminele circuit, het andere beschuldigt zijn/haar ouder van incest. Het kan ook om een onopgelost conflict gaan, of mishandeling. In de kern is het doorgaans een grenzenkwestie. "Soms kun je je ouders maar in een bepaalde dosering verdragen", aldus professor René Diekstra in Psychologiemagazine (maart 2004). Hij is bezig met een onderzoek naar de oorzaken en mogelijke oplossingen van het fenomeen. Het kan ook voorkomen dat het contact tussen ouder en kind simpelweg verwatert. Bovenstaande redenen zijn begrijpelijke reacties, maar dit is niet altijd het geval.

    Ongegronde reden

    In de Telegraaf (27 december 2000 wordt Judith aangehaald. Zij is één van de kinderen die na de echtscheiding van haar ouders het contact met haar vader is verloren:

    "Mijn moeders verdriet was na de scheiding zo groot dat ik niet anders kon dan me solidair met haar verklaren. Om mijn moeder te steunen, heb ik alle contact met mijn vader verbroken. Mijn vader heeft gevochten maar hij kreeg geen voet aan de grond. Het enige dat hij continu hoorde, was dat het 'in het belang van zijn kinderen' zou zijn om de strijd te staken. Indertijd was ik daar blij mee, ik vond immers dat wij het grootste gelijk van de wereld hadden om het contact met hem te frustreren. Nu denk ik echter: hoe heeft het kunnen gebeuren?"

    Dat een kind na een scheiding niets meer met één van de ouders te maken wil hebben, blijkt uit verschillende onderzoeken, waaronder die door Van Gijseghem en door Garder. Hubert van Gijseghem is hoogleraar in het Canadese Québec en forensisch psycholoog. Richard A. Gardner, hoogleraar kinderpsychiatrie aan de Columbia Universiteit van New York, heeft het verschijnsel benoemd als het ouderverstotingssyndroom, het 'parental alienation syndrome' (PAS). Het is terecht om het fenomeen als stoornis te omschrijven, zo meent Gardner, omdat het kind tegen het eigen belang in handelt. Men spreekt niet van PAS wanneer het kind een redelijke grond heeft voor de verstoting, zoals (seksuele) mishandeling of verwaarlozing. In die gevallen is de verstoting te zien als een gezonde reactie, waarmee het kind juist wél in het eigen belang handelt.

    Volgens Gardner komt het ouderverstotingsverschijnsel altijd voor in gezagskwesties. Meestal tussen de vader en de moeder, soms gaat het om de grootouders. Kinderen zouden zichzelf onttrekken aan een ondraaglijk loyaliteitsconflict, door de kant te kiezen van de verzorgende ouder, meestal de moeder. Er is volgens Gardner sprake van het systematisch hersenspoelen van het kind, een campagne van denigreren van de ene ouder door de andere ouder. Ook speelt de eigen bijdrage van het kind altijd een belangrijke sleutelrol.

    Gardner meent dat ouderverstoting zich ontwikkelt zodra het kind besef heeft van de gezagsstrijd. Het kind wil hier een eigen bijdrage in hebben, stelt zelf scenario’s op en is zo geheel actief in het kleineren van de ‘gehate’ ouder. Psycholoog Ursula Kodjoe sprak op een conferentie over omgangs(on)recht in 2001:

    "We spreken hier niet over vaders die hun kinderen misbruiken, maar over normale, liefdevolle vaders die gehecht waren aan die kinderen en een liefdevolle relatie hadden voor dat de relatie met de moeder eindigde."

    Het komt ook voor dat een kind beide ouders verstoot. Hierbij speelt de gezagsstrijd geen rol en dit rekent Gardner dan ook niet tot het ouderverstotingssyndroom.

    Syndroom?

    Volgens Gardner is het fenomeen een syndroom, omdat het aan de definitie voldoet van de medische wetenschap. Er zou namelijk sprake zijn van acht symptomen die bij elkaar geplaatst mogen worden, omdat ze zich gezamenlijk voordoen. Het speelt zich af in een brede context waarbij de symptomen ernstige schade hebben op het individu. Van Gijseghem meent dat ouderverstoting een omstreden begrip is, maar verdedigt het wel.

    Een belangrijk probleem is de definitie. Gardner spreekt automatisch van een syndroom. In de VS en Canada wil men het zelfs laten opnemen in de 'komende editie van het meestgebruikte 'Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders' (DSM-V). Maar gaat het wel om een stoornis? En zo ja, bij wie dan? Lijdt het kind eraan of de programmerende ouder? Van Gijseghem in De Standaard (31 maart 2004):

    "Het gaat om een familiedynamiek, binnen een relationele, ethische en juridische context. Daarom kun je het geen syndroom noemen. Het fenomeen zal niet als dusdanig in de DSM-V belanden. Als we het anders noemen, als we het woord syndroom laten vallen, kan het er wel in. Als een psychisch kenmerk van het kind."

    Voor het vaststellen van het ouderverstotingssyndroom is de socio-culturele context volgens hem dus van groot belang. Maar: "Doordat de definitie van Gardner volledig en precies is kan de ouderverstoting als syndroom gezien worden", aldus Van Gijseghem op een conferentie over het ouderverstotingssyndroom (19 februari 2003).

    Andere onderzoekers kijken echter alleen naar het kind en niet naar de bredere context, waardoor de definitie van het ouderverstotingssyndroom volgens hen niet gerechtvaardigd kan worden. Er is pas sprake van een syndroom als er een stoornis in het individu is en dat is volgens menigeen niet altijd het geval bij het ouderverstotingverschijnsel.

    Moet ouderverstoting per se als syndroom gezien worden? Wat is het belang van een syndroomstatus? Van Gijseghem wil de ouderverstoting graag in DSM-V: "Je kunt het dan als argument gebruiken voor de rechtbank. Het is dan een erkend fenomeen." (De Standaard, 31 maart 2004). Toch blijft het een discussiepunt of de ouderverstoting als syndroom gekenmerkt mag worden. Bovendien is de opname in DSM-V niet noodzakelijk: ook nu al hebben rechters in de VS besloten dat de theorie voldoende ‘algemeen aanvaard en geaccepteerd’ is onder wetenschappers om in de rechtsgang gebruikt te mogen worden.

    Gardner ziet het zogenoemde ouderverstotingssyndroom als voorbeeld van ‘folie-à-deux’, een verschijnsel waarbij de ene partij zijn/haar psychische afwijking op de andere overbrengt, zodat ze die allebei hebben. Vaak wordt het ouderverstotingssyndroom geassocieerd met het Munchausen Syndrome By Proxy (MSPB), waarbij een ouder het kind opzettelijk ziek maakt of een ziekte verzint. Volgens Gardner geheel onterecht, omdat het ouderverstotingssyndroom alleen gerechtvaardigd kan worden als er sprake is van hersenspoeling èn eigen bijdrage van het kind, wat niet het geval bij is bij MSPB.

    Meer aandacht nodig?

    Ondanks dat Gardner zich al vanaf de jaren vijftig bezig hield met echtscheidingen, heeft hij het ouderverstotingssyndroom pas in 1984 gesignaleerd. Gardner heeft het ouderverstotingssyndroom als eerst beschreven in zijn boek 'The Parental Alienation Syndrome'. Het aantal vaders dat zeggenschap over kind wilde nam rond die periode toe. Hierdoor steeg het aantal gezagszaken, voedingsbodem voor ouderverstoting.

    Gardner ziet niet alleen de stijging van het aantal gezagszaken als oorzaak van een toename in het ouderverstotingssyndroom, maar ook speelt onbekendheid volgens Gardner een rol. Hierdoor mist het syndroom aandacht en wordt het zelden serieus genomen. Volgens hem weten veel rechters niets van de ouderverstoting af, evenals de advocaten van de ouders en verscheidende therapeuten. Wilma Eijeriks is voorzitter Patiëntenraad DeltaBouman, één van de organisatoren van het ouderverstotingscongres in Rotterdam. Eijeriks is het met Gardner eens. In een brief aan de Tweede Kamer schrijft zij: "Het is onvoorstelbaar dat voor een probleem van deze omvang en ernst zo weinig aandacht is."

    Ook prof. dr. Peter Hoefnagels, emeritus-hoogleraar criminologie en familierecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en scheidingsbemiddelaar, verdedigt dit standpunt. Volgens hem is er ook onbekendheid bij de kinderbescherming. "Zij hebben meestal geen kennis genomen van de psychologie van het scheidingsproces". (Rotterdams Dagblad (3 september 2002).

    Alleen is de onbekendheid niet zo dramatisch zoals hierboven gesteld wordt. Aan de huidige ontwikkelingen is te zien dat er wel enige aandacht bestaat voor het ouderverstotingverschijnsel. In steeds meer landen laten rechters in het belang van het kind het fenomeen meewegen in hun vonnissen. (Bron: NIS, CBS, SNO.MYWEB, SCJF).

    In Nederland bracht Joep Zander samen met Rob Altena en Wim Theunissen het boek ‘Het ouderverstotingssyndroom in de Nederlandse context’ uit (1999). Zander heeft nu zijn tweede boek voltooid, ‘Moeder-kind-vader, een drieluik over ouderverstoting’, waarvan de publicatie midden april 2004 wordt voorzien.

    Deze twee publicaties maken het ouderverstotingssyndroom echter enigszins verdacht. Zander is namelijk een voorvechter van het vaderrecht. Zijn publicaties zijn mede gebaseerd op persoonlijke negatieve ervaringen: hij strijdt al jarenlang voor het omgangsrecht van zijn eigen kinderen. Het ouderverstotingssyndroom komt hem, in zijn positie, dus goed van pas. Er is in dit geval dus wel aandacht voor het fenomeen, maar is dit wel juiste en objectieve aandacht?

    Dit zijn echter niet de enige publicaties die over het ouderverstotingssyndroom zijn verschenen. Gardner zelf heeft ook tal van artikelen geschreven in peer-reviewed vakbladen. Ook wordt er op de televisie aandacht besteed aan de ouderverstoting. Onder andere in programma’s als Bij ons thuis en ‘De Ochtenden’.

    Er is ook een aantal congressen gehouden over het ouderverstotingverschijnsel. In november 2002 was hierover een congres aan de Universitaire Faculteiten Notre-Dame-de-la Paix in Namen. In februari 2003 hield dr. Wilfrid von Boch-Galhau hierover een conferentie. In Nederland vond op 23 november 2003 het eerste congres plaats in Portugaal, georganiseerd door de patiëntenraad DeltaBouman. Er blijkt dus wel degelijk aandacht te zijn voor het fenomeen. Dit kan uiteindelijk zelfs leiden tot een overschatting van de ouderverstoting. Door er meer op te letten, wordt het vaker waargenomen en lijkt het alsof het probleem is toegenomen, terwijl vooral de aandacht ervoor is gegroeid.

    Diagnose volgens Gardner

    Gardner onderscheidt drie gradaties in het door hem genoemde ouderverstotingssyndroom: de ernstige, waarbij de ouder volkomen fanatiek en soms zelfs paranoïde is. Een bekend voorbeeld hiervan zijn de seksbeschuldigingen. De matige vorm wordt gekenmerkt door razernij, de ouder is des duivels door de verlating van zijn/haar partner. Hierbij is de binding met het kind gezond en voor de scheiding was de ouder een goede opvoeder, wat niet het geval is bij de ernstige vorm. Pas in de matige vorm kan door middel van regelmatig contact de houding ten opzichte van de slachtofferouder verbeteren. In de lichte gevallen wil de programmeerde ouder zijn/haar positie alleen veilig stellen. Herstel is hierbij makkelijker te verwezenlijken.

    Naast de drie gradaties zijn er acht symptomen die het ouderverstotingssyndroom, volgens Gardner rechtvaardigen. Ten eerste de dagelijkse denigratiecampagne tegen de slachtofferouder, waar de geprogrammeerde ouder mee begint en het kind overneemt, zoals verschrikkelijke benamingen te gebruiken of in het gezicht te spugen. De geprogrammeerde ouder zal slechts toekijken zonder het kind te corrigeren, waardoor de treitering aangemoedigd wordt.

    Als tweede symptoom ziet Gardner de rationaliseringen voor het gedrag. Op de vraag waarom het kind z’n vader haat, zou het kunnen zeggen: “Hij liet boeren, ik mocht niet naar mijn favoriete programma kijken!” Absurde, irreële rechtvaardigingen van de campagne, volgens Gardner. Alleen blijken dit normale reacties te zijn van een kind tot een jaar of vijf. Volgens onder andere Selman (1980, in: Schaffer, 1996) zijn jonge kinderen egocentrisch ingesteld en zien alleen hun eigen perspectief. Daardoor hangt de rechtvaardiging van dit symptoom af van leeftijd.

    Gebrek aan ambivalentie wordt als het derde symptoom aangeduid. De programmerende ouder is geweldig, de slachtofferouder daarentegen heeft alleen maar negatieve kenmerken.

    Als vierde blijkt de schijnbare onafhankelijkheid een rol in het fenomeen te spelen. Het kind beweert dat de ideeën van hem of haarzelf zijn. Een recent voorbeeld van een programmerende moeder en haar kind: “Als je je vader niet wilt zien, respecteer ik dat, ik doe alles voor je. Ik respecteer het recht je vader niet te zien. Wil je je vader dan zien? Nee, nee ik wil hem niet meer zien.” Het programmeren is nu duidelijk te zien, maar door de schijnbare onafhankelijkheid is het lastig voor anderen om het ouderverstotingssyndroom te herkennen.

    Het vijfde symptoom wordt beschreven als de reflex van steun van de programmerende ouder in het conflict. Het kind kiest automatisch de kant van deze ouder, zonder dat er enig bewijs is. De vraag is of dit wel als symptoom beschouwd kan worden, aangezien het kind altijd voor die weg kiest die het beste voor hem/haar is. Partij kiezen voor de programmerende ouder, is voor het kind altijd het gunstigste.

    Het kind heeft bij het zesde symptoom gebrek aan schuld, schaamte, sympathie en empathie voor de slachtofferouder. Het kind heeft dit niet geleerd, met als gevolg respectloos en ongemanierd gedrag.

    Het zevende symptoom is het lenen van scenario’s. Het kind gebruikt woorden en zinnen die niet bij die leeftijd passen. Een extreem voorbeeld dat Gardner aangeeft van een vierjarig meisje: “Waarom wil je je vader niet zien? Hij penetreerde me. Wat betekent dat? Dat weet ik niet, dat moet je aan mamma vragen, zij zei dat hij me penetreerde.”

    Het laatste symptoom is de verspreiding van het programmeren naar de familie van het slachtofferouder. Het kind verbreekt ook het contact met voorheen dierbare familieleden. De vraag is of dit geen normale reactie. Vaak verwatert het contact simpelweg met familieleden door de omstandigheden. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van opzet.

    Door middel van deze acht symptomen zou de diagnose van het ouderverstotingssyndroom vast te stellen zijn. Maar de vraag is of alle symptomen altijd duidelijk zichtbaar zijn en of ze allemaal als symptoom gezien mogen worden en niet als normaal gedrag. Dit neemt nog niet weg, dat een aantal symptomen zich nog steeds gezamenlijk voor doen en er nog steeds sprake is van een problematiek.

    De gevolgen

    Het ouderverstotingverschijnsel brengt voor alle partijen gevolgen met zich mee, maar volgens Gardner zijn de gevolgen voor het kind het meest ernstig. In de Telegraaf (26 juni 1999) vertelt Gardner:

    "Een kind dat wordt ingezet als wapen bij een scheiding, wordt eigenlijk ernstiger beschadigt dan een leeftijdsgenootje dat het slachtoffer is van seksueel misbruik. Wie mishandeld of misbruikt wordt, kan aangifte doen. De dader wordt bestraft, de ellende houdt op. Sommige kinderen komen over dat trauma heen, maar kinderen die door de ene ouder volgepropt worden met negatieve informatie over de andere ouder, hebben levenslang. Die worden gedwongen zogenaamd vrijwillig zonder papa of mama op te groeien en moeten leren leven met leugens die hen zijn opgedrongen."

    Het is nogal kort door de bocht om te beweren dat de gevolgen van het ouderverstotingverschijnsel ernstiger zijn dan die van seksueel misbruik. De gevolgen van hiervan mogen niet zomaar onderschat worden. Ook hoeft er niet altijd sprake te zijn van blijvende schade zoals Gardner het stelt. Volgens Smulders is de band tussen ouder en kind wel degelijk te herstellen:

    “Het heeft vooral te maken met de negatieve houding van de programmerende ouder na de scheiding. In principe is de band tussen ouder en kind ontzettend sterk.”

    Dit neemt niet weg dat het ouderverstotingverschijnsel wel degelijk negatieve gevolgen met zich mee brengt. Volgens Smulders verliest het kind niet alleen zijn vader of moeder, maar zo ook een deel van zijn eigen identiteit. "Die pijn veroorzaakt enorme schade." Vaak uiten de gevolgen zich in gedrags-, prestatie- en ontwikkelingsstoornissen die het verdere leven kunnen overschaduwen.

    Omdat de kinderen geheel geprogrammeerd zijn, kunnen ze werkelijkheid niet meer van onecht onderscheiden, zo meent Gardner. Hierdoor zou er vaak verwarring, onzekerheid, gebrek aan zelfvertrouwen, vijandelijkheid en wantrouwen tegen vreemde kunnen ontstaan. Zelfs psychopathisch en paranoïde gedrag kan zich uiten, volgen Gardner. Ondanks de verstoting kan het kind verlies ervaren, waardoor gevoelens van depressie kunnen optreden. Ze laten tevens een verminderde prestatie zien op intellectueel gebied en een achterstand op sociale ontwikkeling.

    Ook de verstoten ouder is slachtoffer Ervaringsdeskundige Ans Grashoff vertelt op Ouders Online haar verhaal. Vele ouders met haar ervaren het ouderverstotingssyndroom (De Telegraaf, 24 augustus 2002). Het aantal contactgroepen in Nederland is toegenomen. Naast het vreselijke gemis van het kind blijkt de verstoten ouder een grotere kans te hebben op medische klachten, auto ongelukken en zelfs zelfmoord.

    Aanpak

    Terwijl de discussie omtrent de definïering en status van ouderverstoting nog in volle gang is, probeert men ondertussen als iets aan de problematiek te doen. In Rotterdam is alvast een omgangshuis geopend. Hier kan de programmerende ouder de kinderen naar toe brengen. De kinderen kunnen hier onder het toeziend oog van een hulpverlener een ochtend met de slachtofferouder doorbrengen. Om zo het contact tussen beide te herstellen. Eerdergenoemde Zander meent dat dit project geen zin heeft, omdat de programmerende ouder nooit mee zou willen werken. Maar volgens Liesbeth Smulders, gedragspedagoge verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming, valt dat in de praktijk erg mee. Zij stelt:

    "We hebben meegemaakt dat een moeder het contact tussen vader en kind echt probeerde te verstoren om haar ex-man te pesten, maar over het algemeen gaat het toch om vrouwen die best mee willen werken, maar alleen bang zijn. Zij zijn juist heel blij met de mogelijkheid die een omgangshuis biedt. Daar kunnen ze op neutraal terrein beetje bij beetje hun argwaan laten varen."

    Uit onderzoek blijkt dat ruim 40 prcent van de ouders door middel van het omgangshuis er in slaagt om een omgangsregeling te treffen (ANP-bericht, 19 april 2004).

    Toekomst

    Het is duidelijk dat ouderverstoting vooral ontstaat door gezagskwesties. Hier zou iets aan gedaan moeten worden. Volgens Gardner is het van belang om stil te gaan staan bij het civiele procesrecht, de manier waarop in het Westen wordt omgegaan met conflicten. Hij ziet het conflictsysteem zelfs als hoofdschuldige van de machtsstrijd om de kinderen, wat voor escalatie van de wraakneming zorgt, "een bloedig tweegevecht". In de advocatuur gaat het tegenwoordig om het belang van de cliënt, terwijl het om de waarheid zou moeten draaien. Professor Hoefnagels, tevens scheidingsbemiddelaar, ziet het net even anders. Volgens hem zou er verplichte bemiddeling plaats moeten vinden, waarbij niet iedere partij een aparte advocaat heeft, maar een gezamenlijke advocaat.

    Omde machtsstrijd te verminderen zou volgens Gardner het rechtssysteem moeten veranderen. Hij stelt voor om terug te komen op de volkomen gelijkheid van man en vrouw in gezag en zorg, zonder terug te keren naar het oude voorrangsrecht van de moeder. Toewijzing aan één ouder zou alleen in hoogst uitzonderlijke situaties mogen plaats vinden.

    Om tot de bovenstaande oplossingen te komen, zou er veel moeten veranderen in de maatschappij. Het is de vraag of dit nodig zal zijn en ook werkelijk te bewerkstelligen is. Laten we eerst beginnen bij het begin en bekijken of het ouderverstotingssyndroom werkelijk een syndroom is. Dan pas kan gekeken worden wat voor oplossingen van toepassing zijn. Blijkbaar is er nog meer onderzoek nodig om dit toenemende probleem in waarde te schatten.


    Bronnen:
  • Articles in Peer-Review Journals and Published Books on the Parental Alienation Syndrome (PAS) by Richard A. Gardner, M.D.
  • Broken Link, e-zine over scheiding en omgang.
  • Het ouderverstotingssyndroom (PAS) - bespreking van het boek “Parental Alienation Syndrome” van R.A. Gardner door Rob van Altena voor het Platform SCJF.
  • Nederlandse overzichtspagina's Parental Alienation Syndrome (ouderverstotingssyndroom) door Joep Zander en Rob van Altena.
  • Oudervervreemding / ouderverstoting, (Ursula Kodjoe, 2001)
  • Oudervervreemding door echtscheiding (Stichting Thomas Asselijn)
  • Parents Who Have Successfully Fought Parental Alienation Syndrome (Jayne A. Major, 2002)
  • Rotterdams Dagblad, 3 september 2002
  • Telegraaf, 24 augustus 2002
  • Telegraaf, 27 december 2000

    Verwante artikelen:
  • Bundesfamilienministerin Smidt pleit voor Familiekunde op scholen
    De Duitse Bundesminister Smidt (SD) pleit voor invoering van Familiekunde als schoolvak. Doel: het aantal echtscheidingen in de toekomst laten dalen.(Die Welt, 4-11-2002)
  • D66: Verplichte bemiddeling bij omgangsregeling
    D66 wil dat gescheiden ouders verplicht bemiddeling inschakelen wanneer er problemen zijn met de omgangsregeling. (29-10-2002)
  • Scheiding voor kind erger dan overlijden van ouder
    "Een dode ouder is voor een kind beter te verdragen dan een gescheiden ouder. Het leed voor kinderen na een echtscheiding wordt onderschat", vindt klinisch pedagoge Liesbeth Smulders-Groenhuijsen. Terecht?

    Internet links:
  • Expanding the Parameters of Parental Alienation Syndrome
    Cartwright, G.F. (1993). The American Journal of Family Therapy, 21(3):205-215.
  • Parental Alienation
    Brandes, J.R. (2000), New York Law Journal, March 26, 2000, pp. 3 ff.
  • Parental Alienation Syndrome vs. Parental Alienation: Which Diagnosis Should Evaluators Use in Child-Custody Litigation?
    Gardner, R.A. (2002), The American Journal of Family Therapy, 30(2):101-123.
  • Remarriage as a Trigger of Parental Alienation Syndrome
    Warshak, R.A. (2000), American Journal of Family Therapy, 28: 229-241.
  • The Judiciary's Role in the Etiology, Symptom Development, and Treatment of The Parental Alienation Syndrome (PAS)
    Gardner, R.A. (2003), American Journal of of Forensic Psychology, 21(1): 39-64.
  • The Lost Parent's Perspective on Parental Alienation Syndrome
    Vassiliou, D. and Cartwright, G.F. (2001), The American Journal of Family Therapy, 29(3): 181-191.
  • The Spectrum of Parental Alienation Syndrome (part I)
    Rand, D.C. (1997a), American Journal of Forensic Psychology. 15(3):23-51.
  • The Spectrum of Parental Alienation Syndrome (part II)
    Rand, D.C. (1997b), American Journal of Forensic Psychology. 15(4):39-92.

    Documenten:
    Jongeren en het gezin 2003
    CBS Rapport
    Parental Alienation: Syndrome or Symptom
    Hirsch, R.A. (2002), Family Law Course.
    The Parental Alienation Syndrome: What Is It And What Data Supports It?
    A Rebuttal excerpt by Lorandos, D.

       
    naar boven

    colofon | disclaimer | © 2000-2006 pedagogiek.net