Is een screeningsmethode om vroegtijdig taalstoornissen op te sporen effectief in het voorkomen van latere problemen? Een groot landelijk onderzoek onder 10.000 kinderen moet antwoord geven op die vraag. Taalstoornissen bij jonge kinderen kunnen later leiden tot problemen op school. Primair is er een grotere kans op problemen bij het leren van lezen en schrijven, secundair ook op gedragsproblemen.
Het gaat om het eerste grootschalige screeningsonderzoek dat in Nederland is uitgevoerd op consultatiebureaus voor zuigelingen en peuters. De screening bestaat uit een aantal gestructureerde vragen aan de ouders over de taalontwikkeling van het kind. Uit deze screening komen de peuters met een taalachterstand bovendrijven, voordat ze leren lezen en schrijven.
Tussen 1995 en 1999 heeft een groot aantal consultatiebureaus voor zuigelingen en peuters in Limburg, Den Haag en Tilburg al gebruik gemaakt van de vragenlijst. Zo'n vijduizend kinderen werden op de nieuwe manier gescreend, vijfduizend andere kinderen fungeerden als controlegroep en werden op de conventionele manier onderzocht. Een 'expert panel' bekeek alle onderzochte cases van kinderen met een mogelijke taalachterstand, zonder te weten via welke methode de diagnose was gesteld.
Op basis van de resultaten van de pilot betoogt psycholoog en onderzoeker drs. Heleen van Agt van het Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg (IMG) dat de screening effectief is. In het Reformatorisch Dagblad (21-0-03) zegt ze:
"Door deze screening van kinderen op het consultatiebureau worden veertig procent meer peuters met een taalachterstand ontdekt dan zonder screening. Ruim de helft van deze kinderen blijkt een zodanige taalachterstand te hebben dat hulp noodzakelijk is.
Wanneer zo’n screening in heel Nederland zou worden toegepast, gaat het zelfs om de ontdekking van 1100 kinderen extra met een taalachterstand."
Of die kinderen het uiteindelijk ook beter doen op de basisschool kon een paar jaar geleden nog niet worden vastgesteld, omdat de kinderen toen drie jaar oud waren. Nu kan dat wel: de meeste kinderen uit het onderzoek zijn zeven of acht jaar, zitten in groep vier en zijn al een tijd bezig met lezen en schrijven.
Daarom zullen begin 2003 alle ouders van de 10.000 kinderen uit de eerste onderzoeksfase opnieuw een brief krijgen. Daarin wordt hen gevraagd of het goed is dat de leerkracht van hun kind informatie verstrekt over hoe hun kind het doet op school, vooral met lezen en schrijven.
Lange-termijneffecten
Van Agt legt het belang van een follow-up uit in het Reformatorisch Dagblad (21-0-03):
"De aandacht in ons onderzoek richt zich nu specifiek op de vraag of die vroege screening en eventuele behandeling effectief is voor de resultaten op de basisschool. Daar zijn die kinderen immers daadwerkelijk bezig met lezen en schrijven. Als vroege screening effectief blijkt te zijn, ligt het voor de hand ervoor te pleiten zo’n vroege screening op het consultatiebureau landelijk door te voeren."
Het onderzoek wordt uitgevoerd door het IMG, in samenwerking met de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind (NSDSK) en de Katholieke Universiteit Nijmegen. De wetenschappers zullen de schoolontwikkeling van de gescreende kinderen vergelijken met die van de niet-gescreende kinderen. De helft van de onderzoeksgroep is destijds gescreend, de andere helft vormde de controlegroep. Daarvan werd de taalontwikkeling volgens de gangbare wijze op het consultatiebureau in de gaten gehouden.
Volgens Van Agt worden er sowieso kinderen met een taalachterstand ontdekt. Het is dus best mogelijk dat een vroege screening daar niet zoveel aan bijdraagt. Om dat uit te sluiten is het wetenschappelijk onderzoek nodig.
De dataverzameling is inmiddels begonnen. De resultaten van het onderzoek zijn pas in 2005 beschikbaar.
|