P E D A G O G I E K . N E T

 

donderdag 29 juli 2010

sitemap home
nieuws dossiers thema's portal zoeken
   

ARTIKEL BEKIJKEN

  • één pagina terug

  • The Bell Curve

    afbeelding is opklikbaar

    Herrnstein & Murray

    de auteurs van The Bell Curve

    afbeelding is opklikbaar

    artikel printen

    ARTIKEL BEKIJKEN


    The Bell Curve
    publicatiedatum: 29-03-2003 15:59:00 | laatst gewijzigd: 06-08-2003 16:14:02 | auteur: Piet van der Ploeg

    Halverwege de jaren negentig verscheen een studie van een psycholoog en een socioloog die de discussie over intelligentie nieuw leven inblies en veel commotie veroorzaakte: The Bell Curve van Herrnstein en Murray. De boodschap van het boek is tweeledig.
    1. De sociale toekomst van de kinderen (opleidingsgraad, inkomen, wel of niet strafblad, wel of niet scheiding et cetera) is in de eerste plaats afhankelijk van hun intelligentie en niet van de maatschappelijke en economische context waarin ze opgroeien.
    2. Intelligentie laat zich niet gemakkelijk veranderen en is voor een groot deel erfelijk bepaald (verschillen in intelligentie zijn voor 40 tot 80 procent een kwestie van erfelijkheid).

    De suggestie dat maatschappelijke ongelijkheid tegenwoordig vooral te danken is aan verschil in aanleg, schoot velen in het verkeerde keelgat. En de suggestie dat intelligentie (als het ware) aangeboren is en niet te verbeteren is, stuitte op ongeloof. Met dit alles stonden ook de andere vragen rond intelligentie weer op de agenda.

    Twee vroege recensies van The Bell Curve; Bouchard is positief, Dorfman negatief: Two Views of The Bell Curve.

    In een online artikel geeft Chabris een overzicht van de discussie en verdedigt hij Herrnstein en Murray tegen alle kritiek IQ since The Bell Curve. Chabris is uiteraard niet onweersproken gebleven:

    Commentaren zijn online beschikbaar (met een reactie van Chabris): Does IQ matter?

    Racistisch?
    Maatschappelijke ongelijkheid zou liggen aan verschil in aanleg. Sommigen zagen hierin een nieuwerwetse variant van racistische waandenkbeelden: bevolkingsgroepen die maatschappelijk en economisch laag staan en achterblijven hebben hun slechte positie niet te danken aan onderdrukkende, uitbuitende en uitsluitende sociale structuren, maar aan zichzelf, aan hun eigen aanleg, aan eigenschappen die mensen van nature aankleven. Chabris wuift deze kritiek weg. Herrnstein en Murray zijn zuiver op de graad. De verdachtmakingen zijn overspannen reacties op een onderwerp dat alleen zijdelings in The Bell Curve ter sprake komt: verschillen tussen groepen. Het heeft er alle schijn van dat Chabris hier iets te luchtig oordeelt, getuige de impressie die de psycholoog Howe geeft in zijn IQ in Question (1997).

    Howe laat zien hoe de visie van Herrnstein en Murray aanknoopt bij die van onderzoekers die duidelijk niet kosher zijn: Race and Intelligence.

    Heranalyse
    The Bell Curve is gebaseerd op een analyse van gegevens van meer dan tienduizend Amerikanen, waaronder hun scores op een intelligentietest (Armed Forces Qualifying Test). Omdat ze weinig vertrouwen hadden in de bevindingen en conclusies van Herrnstein en Murray hebben zes Amerikaanse sociologen dezelfde gegevens opnieuw geanalyseerd. Zij komen in Inequality by Design tot radicaal andere resultaten: intelligentie weegt niet zo zwaar als in The Bell Curve betoogd wordt. Het zijn toch in de eerste plaats de omstandigheden waarin kinderen opgroeien die bepalen hoe ze later terecht komen in de maatschappij. Het boek heeft als ondertitel terecht: Cracking the Bell Curve Myth. De wijze waarop Chabris dit heronderzoek relativeert, lijkt geen recht te doen aan het werk van de zes sociologen.

    Een artikel in De Groene Amsterdammer laat het van de andere kant zien: Domme blanken.

    Intelligentie?
    Ander heikel punt in de discussie is of intelligentie wel bestaat en wat het eigenlijk is. The Bell Curve staat in de traditie van de psychometrie. De redenering is eenvoudig. Door te meten kunnen we vaststellen dat intelligentie bestaat en stellen we vast wat intelligentie is. Worden de scores van mensen op verschillende testen vergeleken, waarbij elke test een bepaalde intellectuele vaardigheid meet, dan ontstaat een patroon: de verschillende vaardigheden blijken samen te hangen. Intelligentie is wat deze samenhang verklaart. Het klinkt plausibel, maar het is zwaar omstreden. De scherpste kritiek komt van de bekende bioloog Gould.

    Gould had in de jaren tachtig al eens flink uitgepakt tegen de psychometristische benadering van intelligentie in The Mismeasure of man (1981). Zijn kritiek op The Bell Curve schreef hij in The New Yorker (28 november 1994) onder de titel: The Curveball.

    Voor het evenwicht en het overzicht: kritiek van de vooraanstaande psychometrist Jensen op de bioloog Gould: The Debunking of Scientific Fossils and Straw Persons (oorspronkelijk in: Contemporary Education Review, zomer 1982).

    Erfelijk
    Ten slotte is er nog de vraag in hoeverre intelligentie erfelijk is. Herrnstein en Murray twijfelen er niet aan dat intelligentie voor een belangrijk deel een kwestie van aanleg is. Chabris is er even zeker van net als vele anderen, met name in de hoek van de psychometrie en de gedragsgenetica.

    Zo berekende de gedragsgeneticus Plomin op grond van een reeks onderzoekingen onder geadopteerde kinderen en een-eiige en twee-eiige tweelingen dat de erfelijkheid van intelligentie (preciezer: van IQ-score) 50 procent is ( Plomin, Nature and nurture, 1990, 71).

    Maar er zijn ook andere inzichten en opvattingen. Illustratief is de voorzichtigheid van de psycholoog Howe. Zie Introductie.

    Hot issue
    Intelligentie is een hot issue in de psychologie. Vandaar de commotie rond The Bell Curve. De gemoederen raakten zo verhit dat de American Psychological Association het nodig vond orde op zaken te stellen. Er moest een gezaghebbend oordeel geveld worden dat in het debat als houvast zou kunnen dienen.

    "In the fall of 1994, the publication of Hermstein and Murray`s book The Bell Curve sparked a new round of debate about the meaning of intelligence test scores and the nature of intelligence. The debate was characterized by strong assertions as well as by strong feelings. Unfortunately, those assertions often revealed serious misunderstandings of what has land has not been demonstrated by scientific research in this field. Although a great deal is now known, the issues remain complex and in many cases still unresolved. Another unfortunate aspect of the debate was that many participants made little effort to distinguish scientific issues from political ones. Research findings were often assessed not so much on their merits or their scientific standing as on their supposed political implications. In such a climate individuals who wish to make their own judgments find it hard to know what to believe. Reviewing the intelligence debate at its meeting of November 1994, the Board of Scientific Affairs (BSA) of the American Psychological Association (APA) concluded that there was urgent need for an authoritative report on these issues - one that all sides could use as a basis for discussion." Het rapport is online beschikbaar: Intelligence: Knowns and Unknowns.


    Bronnen:
  • American Psychological Association, Intelligence: Knowns and Unknowns, 1995.
  • C.F. Chabris, IQ since "The Bell Curve", 1998.

    Documenten:
    Race and intelligence
    Howe, IQ in Question

       
    naar boven

    colofon | disclaimer | © 2000-2006 pedagogiek.net