P E D A G O G I E K . N E T

 

donderdag 9 september 2010

sitemap home
nieuws dossiers thema's portal zoeken
   

NIEUWS

  • Algemeen nieuws
  • Jeugdzorg
  • Onderwijs
  • Opvoeding
  • Wetenschap


    artikel printen

    NIEUWS »


    Zelfsturing en samenwerking bij adolescenten: een goede zaak?
    publicatiedatum: 03-02-2008 16:22:51 | laatst gewijzigd: 03-02-2008 16:29:52 | auteur: Mariëtte Hetjes

    In de huidige onderwijswereld is er sprake van veel commotie over de verschillende stelselwijzingen, die elkaar in rap tempo opvolgen. Zo is de term ‘het nieuwe leren’ ontstaan als containerbegrip voor onder andere vraaggestuurd, probleemgestuurd, opdrachtgestuurd, ervaringsgericht en competentie-gericht onderwijs (Vink, 2006). Door cognitief neurologisch onderzoek is recentelijk veel kennis over leerprocessen en hersenontwikkeling ontstaan. Prof. dr. Jelle Jolles is een belangrijke neuropsycholoog en neurochemicus aan de Universiteit van Maastricht, die deze kennis toepast in de onderwijspraktijk. Volgens hem is ‘het nieuwe leren’ geen goede manier van onderwijs voor adolescenten. Zelfsturing in combinatie met samenwerking is minder doelmatig in de adolescentieperiode vanwege de onvolledige ontwikkeling van de hersenen. In plaats hiervan zou meer begeleiding door de docent moeten worden geboden. Het is echter de vraag of deze redenering juist is. Of adolescenten per definitie niet in staat zijn om zelf planningen te maken en hiernaar te handelen moet nader onderzocht worden. Tevens zal gekeken moeten worden naar de effectiviteit van zelfstandig leren en samenwerking.

    Adolescent is niet rijp genoeg

    Allereerst doet Jolles uitspraken over ‘het nieuwe leren’ en de mate van effectiviteit hiervan. De hersenen van adolescenten zouden nog niet rijp genoeg zijn voor zelfsturing en zelfevaluatie, vaardigheden die in ‘het nieuwe leren’ juist centraal staan. Door cognitief neurologisch onderzoek is recentelijk onze kennis over ‘leren’ sterk toegenomen (Jolles, 2007a). Het vermoeden is bevestigd dat bepaalde onderdelen van de voorste hersendelen zich pas in de late adolescentie (na het zestiende jaar) goed ontwikkelen (Jolles, 2007b). Deze onderdelen hebben betrekking op de planning- en controle functies, waardoor men handelingen kan verrichten op basis van een zelfgemaakt plan en hierin prioriteiten kan stellen (door ervaringskennis en inschatting van consequenties). Daarbij geldt dat over het algemeen deze ontwikkeling bij jongens later voltooid wordt dan bij meisjes. Overigens moet opgemerkt worden dat deze ontwikkeling niet autonoom verloopt, maar afhankelijk is van de omgeving (school, opvoeders, vrienden).

    Wanneer gekeken wordt naar de invloed van de omgeving in de adolescentieperiode, blijkt deze zeer belangrijk te zijn. Tijdens de adolescentie vindt er een integratie plaats van de verworven primaire vaardigheden en functies. Daarbij is er vooral sprake van een meer bewuste en zelfregulerende informatieverwerking. De sociale normen binnen de vriendengroep en de positie die de adolescent hierbinnen vervult, spelen hierbij een belangrijke rol (Jolles, 2007b).

    Wanneer gekeken wordt naar het risicogedrag onder jongeren, blijken adolescenten in het bijzijn van andere adolescenten zich bijna twee keer zo vaak in gevaarlijke situaties te begeven als wanneer ze alleen zijn (Gardner & Steinberg, 2005). Daarbij kiezen adolescenten impulsiever dan volwassenen, die meer weloverwogen te werk gaan met een duidelijk plan. Het impulsieve gedrag van adolescenten wordt voornamelijk veroorzaakt door de sociale druk uit de vriendengroep (Gardner & Steinberg, 2005). Jolles verwijst naar dit onderzoek om aan te tonen dat zelfsturing in combinatie met samenwerking minder doelmatig is in de adolescentieperiode (Steen, 2007). Adolescenten zijn namelijk wel in staat om eigen keuzes te maken, maar alleen op een relatief laag complexiteitsniveau. Ze hebben nog geen inzicht in hun eigen capaciteiten, de consequenties van hun keuzes op langere termijn of de wensen en emoties van anderen (Jolles, 2007b).

    Uitgaand van deze cognitieve neurologische inzichten zou het onderwijs de adolescent een leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling van de hersenen wordt geoptimaliseerd. Dit betekent dat er meer begeleiding moet worden gegeven, waarbij de docent als motivator en inspirator zal optreden. Met name het proces van keuzes maken en het leren overzien van de consequenties verdient specifieke aandacht (Jolles, 2007b).

    Oefening baart kunst

    De boodschap van Jolles is duidelijk: meer begeleiding, sturing en gezag in het onderwijs. Maar wilden we met de invoering van ‘het nieuwe leren’ niet juist leerlingen de kans geven om zelf actief deel te nemen in zijn eigen leerproces, zodat de leeropbrengst kan worden vergroot? De achterliggende gedachte achter bijvoorbeeld het ‘studiehuis’ is om adolescenten door zelfsturend leren en sociale interactie, gezamenlijk nieuwe kennisschema’s te laten opbouwen. Het zelf actief construeren van kennis, in plaats van het passief overnemen van kennis van docenten, heeft positieve invloed op het leerproces van de leerling (Van der Werf, 2005).

    Dat adolescenten deze vrijheid in zelfsturing en samenwerking nog niet aan zouden kunnen, wordt door Blakemore en Frith (2005) tegengesproken. Volgens hen is oefening van planning en controle juist in de adolescentieperiode nodig, omdat de betreffende hersendelen zich dan kunnen ontwikkelen. Tijdens de rijping van de frontale cortex zijn de hersenen namelijk gemakkelijk veranderbaar. Het onderwijs moet dus deze oefenmogelijkheid bieden, in plaats van deze uit de weg te gaan (Blakemore & Frith, 2005).

    Dat zelfstandige oefening en herhaling belangrijk is om planning en controle te ontwikkelen, wordt tevens bevestigd door het ‘use-it-or-loose-it principe’. Onze hersenen bestaat uit biljoenen neuronen die door zintuiglijke waarneming verscheidende verbindingen aan gaan. Zo maken we associaties die bijdragen aan het leerproces. De verbindingen die weinig gebruikt worden verdwijnen. De overblijvende verbindingen krijgen een isolatielaagje waardoor de verbinding sneller wordt, dat leidt tot een effectievere werking van de hersenen. Volgens Blakemore en Frith (2005) is het echter mogelijk dat de hoeveelheid verbindingen gedurende de puberteit minder is en tijdelijk tot een verminderde cognitieve prestatie kan leiden. Om zoveel mogelijk verbindingen te behouden tijdens de adolescentie is oefening nodig. Oftewel: de adolescent heeft voldoende experimenteerruimte en adequate feedback (door docent en klasgenoten) nodig om zelfstandig te kunnen worden.

    Hoe nu verder?

    Het is duidelijk dat er een verbinding kan worden getrokken tussen de cognitief neurologische wetenschap en de onderwijspraktijk. Dit brengt zowel mogelijkheden als ostakels met zich mee (Ansari & Coch, 2006). Aan de ene kant kan het onderwijs door kennis op neurologisch niveau meer inzicht krijgen in het menselijke leerproces en deze zo mogelijk optimaliseren. Aan de andere kant is deze theoretische kennis soms moeilijk in te passen in de dagelijkse onderwijspraktijk. Over de effectiviteit van ‘het nieuwe leren’ zijn de meningen verdeeld. Volgens neuropsycholoog Jolles is de effectiviteit niet doelmatig genoeg, omdat de hersenen van adolescenten er niet klaar voor zijn. Sociaal-constructivisten daarentegen zweren bij deze onderwijsvorm omdat adolescenten de benodigde vaardigheden juist in dit soort onderwijs leren ontwikkelen. Of zelfsturing en samenwerking bij adolescenten een goede zaak is, blijft dus een discussie. Het feit dat oefening belangrijk is voor de eigen ontwikkeling en sociale interactie hier een rol in speelt, wijst toch steeds meer richting eigen keuzevrijheid en samenwerking. De vraag is dan wel hoeveel en welke soort begeleiding docenten daarin moeten bieden. Daarom is verder onderzoek naar het effect van zelfstandig en samenwerkend vereist, om zo een eenduidiger beeld te verkrijgen.


    Bronnen:
  • Ansari, D., & Coch, D. (2006). Bridges over troubled waters: education and cognitive neuroscience. Trends in Cognitive Sciences, 10(4), 146-151.
  • Blakemore, S.J. & U. Frith (2005). The Learning Brain: lessons for education. A précis. Developmental Science, 8, 459- 471
  • Gardner, M. & Steinberg, L. (2005). Peer Influence on Risk Taking, Risk Preference, and Risky Decision Making in Adolescence and Adulthood: An Experimental Study. Developmental Psychology , 41 (4), 625–635
  • Jolles, J. (2007a). Over brein & leren: kwaliteit leeromgeving bepalend voor leerproces. Bij de les februari 2007, 42-45
  • Jolles, J. (2007b). Neurocognitieve ontwikkeling en adolescentie:enkele implicaties voor het onderwijs. OnderwijsInnovatie maart 2007, 30-32.
  • Steen, P.van der (2007). Hoe werkt het jongerenbrein? De Limburger, 19 mei 2007.
  • Van der Werf. (2005). Leren in het studiehuis: consumeren, construeren of engageren? Rede van het ambt hoogleraar onderwijzen en leren. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.
  • Vink, A. (2006). De container van het nieuwe leren. NRC Handelsblad, 29 oktober 2007.

       
    naar boven

    colofon | disclaimer | © 2000-2006 pedagogiek.net