Het blijkt dat kinderen van vier jaar en jonger gemiddeld twee uur per dag televisie kijken (Trouw, 28-05-2004; Anderson & Pempek, 2005). Het is dan ook niet verwonderlijk dat peutertelevisieprogramma’s tot de snelst groeiende sector van de televisie-industrie behoren. Er valt veel geld in te verdienen en daar zijn de makers zich maar al te goed van bewust. Het lijkt dan ook dat makers van sommige programma’s de gevolgen voor de kinderen positiever maken dan ze werkelijk zijn. De minder kritische ouder is zich hier helaas vaak niet van bewust en is er van overtuigd dat zijn/haar kind naar een leerzaam programma kijkt.
Teletubbie-twijfels
Het programma Teletubbies is een goed voorbeeld van een programma dat minder positieve gevolgen heeft dan de makers doen geloven. Dit is waarschijnlijk het meest populaire programma onder dreumesen en peuters. Vrolijk springen de vier gekleurde Tubbies al ‘OhOh’ roepend rond. Kinderen vinden het over het algemeen prachtig en doen de bewegingen en geluidjes na. Er is echter enige verwarring over de doelgroep van dit programma. Op de website van PeuterTv wordt vermeld dat dit programma bedoeld is voor kinderen van twee tot vier jaar. Op de website van de Engelse makers van Teletubbies, Ragdoll, wordt echter gezegd dat kinderen tussen negen en 36 maanden de primaire doelgroep vormen. Het is dus onduidelijk voor welke leeftijd dit programma precies geschikt is. Aangezien in Nederland ook kinderen die jonger zijn dan twee jaar dit programma kijken, wordt er in dit artikel mede aandacht besteed aan deze jongere leeftijdsgroep.
Op de website van PeuterTv wordt het programma Teletubbies voorgesteld als een zeer educatief programma met een positieve invloed op de ontwikkeling: “Door middel van spel (dat essentieel wordt geacht voor leren) helpt Teletubbies het kind om essentiële cognitieve vaardigheden te ontwikkelen”. Alle cruciale aspecten van de ontwikkeling worden gestimuleerd: “fysiek, sociaal, emotioneel, taalkundig en cognitief. Ook zelfvertrouwen, een positief zelfbeeld, fantasie en nieuwsgierigheid worden gevoed”.
Hoewel er vermeld wordt dat Teletubbies op onderzoek is gebaseerd, is er geen gepubliceerd onderzoek te vinden. Of het om een gedegen en wetenschappelijk onderzoek gaat, is daarom onduidelijk. Hebben de makers dan wel het recht om te stellen dat Teletubbies een positief effect heeft op de ontwikkeling van kleine kinderen?
Ohoh, nog een keer, nog een keer!
Een veel gehoord punt van kritiek is gericht op de babytaal van de Tubbies, want leren kinderen op deze manier wel normaal Nederlands spreken? Volgens Anne Wood, de bedenker van Teletubbies, kunnen kinderen de Nederlandse taal zeker van dit programma leren. Volgens haar is Teletubbies speciaal ontworpen ter ondersteuning van de spraakontwikkeling van het jonge kind. Zo zegt ze: “Kinderen zullen de pogingen van de Teletubbies om te praten grappig vinden, dus zullen ze geen moeite hebben om mee te doen”. Echter, mee doen met babytaal is iets anders dan woorden op de juiste manier uitspreken en de woordenschat uitbreiden. Tevens komt uit de spreektoeters correct grammaticaal Nederlands, gesproken door een volwassene. Hier kunnen ze dus volgens Anne ook Nederlands van leren. Later zegt ze echter dat “kinderen veel gauwer naar een ander kind zullen luisteren dan naar een volwassen commentaarstem. Vanuit deze premisse is het kinderlijke taaltje van de Teletubby-figuren ontwikkeld”. Dit spreekt elkaar enigszins tegen en verklaart waarom kinderen vaker het babytaaltje van de Teletubbies nadoen dan van de volwassen stemtoeter. Op deze manier leren dreumesen en peuters waarschijnlijk geen correct Nederlands te spreken. Dit laatste blijkt ook uit wetenschappelijk onderzoek.
De wetenschappers aan het woord
Bij een onderzoek van Linebarger en Walker (2006) kwam Teletubbies als slechtste uit de bus wat betreft de invloed op de taalontwikkeling. In dit onderzoek werden kinderen vanaf zes maanden oud tot 36 maanden oud gevolgd en verschillende malen getest. Gemiddeld begonnen kinderen toen ze negen maanden oud waren interesse te tonen in televisie kijken. De resultaten laten zien dat het kijken naar Teletubbies een negatief effect had op zowel het verwerven van woorden als op het gebruik van expressieve taal. Na twee jaar bleek dat kinderen die Teletubbies keken minder woorden kenden dan kinderen die geen televisie keken. Daarnaast gebruikten ze, in vergelijking met niet-televisie kijkende kinderen, taal in mindere mate om met andere mensen te communiceren. Uit een ander onderzoek bleek dat kinderen niet in staat zijn om nieuwe woorden te leren van een Teletubbie-fragment (Grela et al., 2003 in Linebarger & Walker, 2006). De verschillende vormen van input, zoals muziek, visuele stimulatie en taal lijken te moeilijk en complex om het leren van woorden mogelijk te maken. Kinderen doen echter wel de verschillende vocale aspecten na, waaruit blijkt dat kleine kinderen wel degelijk imiteren wat ze zien op televisie (Barr & Hayne, 1999).
In het onderzoek van Linebarger en Walker (2006) werden ook andere programma’s onderzocht, waaronder Sesamstraat. Sesamstraat was niet gerelateerd aan het verwerven van woorden, maar had wel een negatief effect op het gebruik van expressieve taal. Dit is opvallend, omdat in andere onderzoeken wel een positief effect gevonden werd bij kinderen van twee jaar en ouder. In een longitudinaal onderzoek in de jaren 90 werd bijvoorbeeld het effect van het kijken van Sesamstraat onderzocht bij kinderen van twee tot zeven jaar. De resultaten lieten zien dat er een positieve relatie was tussen de het kijken van Sesamstraat en de scores op de verschillende tests. Sterker nog, hoe meer kinderen keken op jonge leeftijd, hoe hoger de behaalde scores. Dus het kijken op twee- en driejarige leeftijd was van belang voor de ontwikkeling van bepaalde vaardigheden die kinderen nodig hebben op school, zoals een bepaalde mate van vocabulaire, lezen en rekenen. Deze resultaten bleven ook significant na het controleren voor een aantal variabelen, zoals het opleidingsniveau van de moeder en het begin niveau van het kind op twee jarige leeftijd. Echter, vanaf de leeftijd van vier jaar leek het kijken van Sesamstraat minder van belang en werden er geen effecten meer gevonden (Fisch & Truglio, 2000).
Hoewel kinderen jonger dat twee jaar in dit laatste onderzoek niet onderzocht werden, kan het dus zijn dat kinderen vanaf twee jaar wel dingen leren van Sesamstraat, maar dat dit programma niet genoeg ondersteuning biedt om een leereffect teweeg te brengen bij kinderen jonger dan 24 maanden. Deze laatste leeftijdsgroep is echter niet de doelgroep en dit kan verklaren waarom dreumesen minder van dit programma leren (Anderson & Pempek, 2005).
Een leereffect is ver te zoeken
Het is de vraag of kleine kinderen überhaupt wel iets leren van televisie kijken.
In Amerika is er een waarschuwing uitgegeven door de American Academy of Pediatrics (AAP) om kinderen jonger dan twee jaar geen televisie te laten kijken. Naar aanleiding hiervan is er veel onderzoek gedaan om vast te stellen of deze waarschuwing terecht is.
Uit deze onderzoeken blijkt dat kinderen jonger dan twee jaar over het algemeen zeer weinig leren van televisie kijken (Anderson & Pempek, 2005). Het onderzoek van Linebarger en Walker (2006) is het enige onderzoek dat een positieve invloed van bepaalde televisieprogramma’s vond op de ontwikkeling van kinderen. Alle andere onderzoeken vinden geen of slechts een klein leereffect voor kinderen jonger dan twee jaar. Tevens geldt, dat als ze er al iets van leren, dit beduidend minder is dan van gelijke ervaringen in het echte leven (Barr & Hayne, 1999). Daarnaast is er meer herhaling nodig om hetzelfde resultaat te verkrijgen als bij ‘echte’ ervaringen. Als er bijvoorbeeld op een video en door een ‘echt’ persoon voorgedaan wordt hoe je een handschoen uittrekt, kunnen kleine kinderen het wel de eerste keer imiteren van de ‘echte’ persoon, terwijl ze meerdere keren de video moeten zien om te snappen hoe ze de handschoen uit moeten trekken. Waarom kleine kinderen zo weinig leren van televisie kijken is nog onduidelijk, maar alle verklaringen hebben betrekking op cognitieve-, perceptuele- en aandachtsaspecten. Het symbolische begrip van kinderen onder de twee jaar is in een stadium waarin ze veel dingen die op televisie gebeuren nog niet begrijpen. Als oudere kinderen en volwassenen bijvoorbeeld een gebouw zien op televisie en daarna een kamer, begrijpen ze dat de kamer in het gebouw is. Kleine kinderen maken deze link niet. Daarnaast lijken kleine kinderen zich simpelweg nog niet te realiseren dat er een connectie is tussen het televisiebeeld en de realiteit. Om deze reden passen ze waarschijnlijk vaardigheden die ze op televisie leren minder makkelijk toe in de realiteit (Anderson & Pempek, 2005).
Al met al concluderen wetenschappers dat, ondanks dat er nog meer onderzoek gedaan moet worden, de waarschuwing van de AAP wel terecht lijkt te zijn.
Televisie voor boven de 2,5
Voor kinderen ouder dan ongeveer tweeënhalf jaar kan televisie kijken wel leerzaam zijn, mits ze naar educatieve programma’s kijken. Programma’s waarbij er direct tegen het kind gesproken wordt en waar kinderen de mogelijkheid krijgen om te antwoorden op vragen, hebben het meest positieve effect op de taalontwikkeling van kinderen (Linebarger & Walker, 2006). Dora en Blue’s clues zijn voorbeelden van zulke programma’s. In het onderzoek van Linebarger en Walker (2006) bleek dat de combinatie van het kijken van Blue’s Clues en Dora als gevolg had dat deze kinderen meer woorden kenden dan hun leeftijdsgenootjes die geen televisie keken. Dit significante resultaat liet zien dat, toen de kinderen 30 maanden oud waren, ze 13.30 woorden meer kenden dan niet-kijkers. Ook gebruikten ze taal in hogere mate om te communiceren met anderen in hun omgeving. Meerdere keren dezelfde aflevering kijken heeft bij deze programma’s ook een positief effect (Crawley & Anderson, 1999). Omdat kinderen al weten wat er gaat komen, kunnen ze beter antwoord geven op de vragen die gesteld worden en worden ze meer interactief betrokken bij wat er op het scherm gebeurt. Hierdoor onthouden ze dingen beter. Of dit ook geldt voor programma’s die in de eerste plaats een negatief effect hebben, zoals de Teletubbies, is niet bekend. Het kan zijn dat het programma in de eerste plaats een positief effect moet hebben, waardoor herhaling ook positieve gevolgen heeft. In dat geval zal herhaling van een negatief programma waarschijnlijk weinig zin hebben.
In een ander experiment werden twee-jarigen en tweeënhalf-jarigen vergeleken op hun begrip van wat er op een video gebeurt. Ze moesten speelgoed vinden dat verstopt werd in een kamer. Ze hadden echter via een online video gezien dat een persoon het speelgoed verstopte. Twee jarigen konden het speelgoed niet vinden, terwijl tweeënhalf-jarigen dit wel direct konden (Troseth & DeLoache, 1998). Blijkbaar vindt er in de periode tussen twee en tweeënhalf jaar een belangrijke verandering plaats in de ontwikkeling, waardoor kinderen de informatie die ze aangeboden krijgen via een beeldscherm beter kunnen toepassen in de ‘echte’ wereld. Ook effecten op leren, attitude ten opzichte van verschillende rassen, prosociaal gedrag, denkbeeldig spel en zelfregulatie zijn onderzocht. Uit deze onderzoeken bleek dat televisiekijken vooral een positief effect heeft op de kennis en het voorstellingsvermogen van kinderen, maar dit is wederom afhankelijk van het programma dat ze kijken en de effecten verschillen ook per onderzoek. Voor de effecten van de andere bovengenoemde aspecten, attitude ten opzichte van verschillende rassen, prosociaal gedrag, denkbeeldig spel en zelfregulatie, is geen of slechts weinig bewijs gevonden (Thakkar, Garrison & Christakis, 2006).
Er kan geconcludeerd worden dat, hoewel er nog meer en beter onderzoek gedaan moet worden, er beduidend meer bewijs is voor een leereffect van educatieve programma’s voor kinderen vanaf tweeënhalf jaar. Dit geldt echter vooral voor bepaalde televisieprogramma’s, zoals Blue’s Clues en Dora. Voor kinderen tot tweeënhalf jaar is er weinig bewijs dat ze iets van televisiekijken leren. Sterker nog, sommige programma’s hebben zelfs een negatieve invloed op de taalontwikkeling. Het moge duidelijk zijn dat makers van bepaalde televisieprogramma’s en wetenschappers bijna recht tegenover elkaar staan. En hoewel sommige makers doen geloven dat de programma’s goed zijn voor de ontwikkeling van kleine kinderen, valt dit zeer ernstig te betwijfelen. |