Voor het eerst sinds jaren is er een forse groei van het aantal adopties. In totaal werden in 2004 1307 kinderen opgenomen in Nederlandse gezinnen, 153 meer dan in 2003. Adoptie wordt als een goed alternatief gezien voor mensen die ongewild kinderloos zijn. Opvallend genoeg heeft recent onderzoek (Hoksbergen, 2004) aangetoond dat veel adoptiekinderen probleemgedrag vertonen. Begeleiding van ouders lijkt niet afdoende. Adoptie komt hierdoor in een negatief daglicht te staan.
Adoptie door de jaren heen De geschiedenis van adoptie in Nederland kent drie periodes. Tot 1970 adopteerden ouders voornamelijk een kind omdat ze ongewenst kinderloos waren. In de jaren zeventig en begin jaren tachtig speelden ideële motieven een hoofdrol. Professor Femmie Juffer, bijzonder hoogleraar Adoptie aan de Universiteit van Leiden, “In de jaren zeventig waren de adoptieouders sterk maatschappelijk geëngageerd. Uit idealistische motieven werd vaak een kind geadopteerd. Zo'n kind kwam vaak terecht in een gezin waar al biologisch eigen kinderen waren.” Door negatieve publiciteit rondom adoptiekinderen nam de adoptie rond 1985 weer af. Later werd dit beeld in de ogen van Juffer “weer rechtgezet”. “Wat motivatie betreft zijn we weer terug bij de klassieke overweging: ongewilde kinderloosheid.” Tot 1970 werden er voornamelijk kinderen uit Nederland zelf geadopteerd (interlandelijke adoptie). Tegenwoordig juist meer uit het buitenland (intralandelijke adoptie). Het aanbod van binnenlandse adoptiekinderen is sterk gekrompen. Verbetering van de seksuele voorlichting, het toenemend gebruik van voorbehoedsmiddelen, de afbraak van het taboe van alleenstaande moeders en de toegenomen financiële voorzieningen hebben hieraan bijgedragen. De huidige stijging in het aantal adopties wordt veroorzaakt door de stijging van het aantal geadopteerde kinderen uit China. Het betreft een structurele stijging die plaats kan vinden doordat de capaciteit van het aantal Nederlandse bemiddelaars is gestegen. Om deze stijging in de adoptiecapaciteit te kunnen handhaven wil Minister van Justitie, Donner, het aantal beginseltoestemmingen dat per jaar wordt afgegeven verhogen van 1500 naar 1800. Verwacht wordt dat Donner hierover op korte termijn een wetsvoorstel zal indienen. Strenge eisen Voordat adoptie plaats kan vinden moeten ouders een lange procedure doorlopen. Nederland hanteert hierbij het Haags adoptie verdrag. Dit verdrag over samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie is in 1993 opgesteld door 66 landen, zowel zendende als ontvangende landen. De belangen en rechten van het kind staan centraal. Het verdrag bevat regels aangaande de procedure, zo hebben de ouders inzage in de gegevens van het kind en kunnen zij het kind op basis van deze gegevens weigeren. Ook bevat het voorwaarden voor adoptie. Een voorbeeld is het subsidiariteitsbeginsel: een kind komt pas voor interlandelijke adoptie in aanmerking wanneer opneming (ter adoptie) van het kind bij familie of in een pleeg- of adoptiegezin in het land van herkomst niet mogelijk is. De volledige procedure duurt minimaal drie jaar en kan meer dan vijf jaar duren. De totale kosten verschillen per land. Minimaal 1200 euro voor de voorlichting en verblijfsvergunning en daarnaast een bedrag tussen de 7500 euro en 22700 euro voor bemiddelingskosten. Het uiteindelijke bedrag is afhankelijk van het land van herkomst. Probleemkinderen Adoptie is een langdurig en kostbaar proces, is het kind eenmaal in Nederland dan zijn de problemen nog niet voorbij. René Hoksbergen, hoogleraar verbonden aan de Universiteit Utrecht, heeft onderzoek verricht naar de problemen van Roemeense adoptiekinderen. Het onderzoek van Hoksbergen (2004) laat zien dat de helft van 80 onderzochte Roemeense adoptiekinderen gedragsproblemen vertoont. Adoptie kinderen vertonen vaak externaliserend probleemgedrag, zoals agressief en deliquent gedrag. Naast kinderen met enkelvoudige problemen, is er een grote groep kinderen met meerdere verschillende stoornissen (11 kinderen, 14%). De mogelijke oorzaken van deze problemen zijn de fysieke en psychische verwaarlozing in de kindertehuizen en het feit dat kinderen met bepaalde gedragstendenties zich makkelijker redden onder deze omstandigheden. In het algemeen zullen agressieve en duidelijk 'extern georiënteerde' kinderen meer aandacht, verzorging en daarmee ook meer voedsel weten te verkrijgen, dan meer 'intern georiënteerde' kinderen. Daardoor zullen de lichamelijk en psychisch sterkere, externaliserende, kinderen overleven en eerder in aanmerking komen voor adoptie. Dit gedrag, wat hen in de kindertehuizen helpt om te overleven, zorgt voor gedragsproblemen wanneer zij geadopteerd zijn. (Hoksbergen, 2004). Hoewel de recente stijging van het aantal adoptie kinderen veroorzaakt wordt door een stijging van Chinese kinderen, is sinds 1991 ook sprake van adoptie uit Oost-Europese landen. De gegevens van onderzoek over deze kinderen kunnen echter niet gegeneraliseerd worden naar de psychische en medische gezondheid van de alle adoptiekinderen. Daarvoor zijn de verschillen tussen de achtergrond van deze kinderen, de omstandigheden in de ongeveer vijftig betrokken landen en in de honderden kindertehuizen of pleeggezinnen te groot en moeilijk te vergelijken. Ook lijken adoptiekinderen op cognitief vlak problemen te vertonen. Hoewel adoptiekinderen niet verschillen qua IQ met hun niet-geadopteerde leeftijdgenoten, zijn hun schoolprestaties wel lager en blijft hun taalvaardigheid ook achter. Een substantieel hoger percentage adoptiekinderen heeft te kampen met leerproblemen (Van IJzendoorn, 2004). Uit het onderzoek valt af te leiden dat adoptiekinderen zich wel even goed ontwikkelen maar dat mogelijkerwijs sociaal –emotionele problemen sommige adoptiekinderen ervan weerhouden hun cognitieve competentie te vertalen naar goede schoolprestaties (de zogenaamde ‘adoptie-decalage’). Juffer is een stuk positiever ten aanzien van de gedragsproblemen: ”Geadopteerden hebben minder gedragsproblemen dan men zou verwachten op grond van hun vaak problematische voorgeschiedenis”. Juffer doet uitspraak op basis van een meta analyse van 60 adoptie-onderzoeken uit de hele wereld. Volgens haar ontwikkelen de meeste adoptiekinderen zich “normaal tot goed”. Oorzaken De mate waarin adoptiekinderen daadwerkelijk problemen hebben is niet duidelijk. Ook over de ontstaanswijze van deze problemen bestaan nog veel vragen. Juffer geeft aan dat de leeftijd van plaatsing belangrijk is: “Uit ons onderzoek blijkt dat kinderen die tussen de één en twee jaar bij het adoptiegezin arriveren, later meer kans hebben op gedragsproblemen dan kinderen die voor hun eerste verjaardag of na hun tweede worden opgenomen.” Dit verschil wordt veroorzaakt door de hechtingsfase waarin het kind zich bevindt. Tussen het eerste en tweede levensjaar krijgt de gehechtheidsrelatie met de opvoeder vorm en is de fysieke aanwezigheid van de ouder hard nodig. Beth Peters (1999) suggereert eveneens dat de leeftijd van plaatsing van belang kan zijn. In tegenstelling tot Juffer legt zij de nadruk op de hoogte van de leeftijd als risicofactor. Hoe ouder het kind, hoe meer problemen het kind vertoont. Hoksbergen trekt uit het onderzoek van Peters andere conclusies. In plaats van het leeftijdscriterium acht hij de levenssituatie van het kind voor de plaatsing van cruciaal belang. Institutionalisatie lijkt nadelige effecten te hebben op het gedragsaanpassingsvermogen van adoptiekinderen. Hoe slechter de situatie voor de adoptie, hoe meer problemen het kind vertoont. Meestal bestaat er onduidelijkheid over levenssituatie voor de adoptie. Hierdoor is bewijsvoering voor dit standpunt lastig. De onderzoeken waarop Peters haar meta-analyse baseert zijn veelal onderzoeken waarbij de mate van problemen van geadopteerde kinderen wordt vergeleken met de mate van problemen van kinderen die wel op de adoptielijst staan, maar bij hun biologische ouders opgroeien. Vanwege grote verschillen in omgevingskenmerken kan deze vergelijking slecht gemaakt worden. Adoptieouders hebben bijvoorbeeld over het algemeen beter sociaal-economische omstandigheden. Genetische verschillen kunnen ook hun invloed hebben. Maar door onbekendheid met de biologische achtergrond van het kind valt daar weinig over te zeggen. Interlandelijke adoptiekinderen blijken over het algemeen minder problemen te hebben dan intralandelijke (binnenlandse) adoptiekinderen. De extra problemen worden mogelijk verklaard doordat intralandelijke adoptie pas plaats vindt wanneer de problemen met de biologische ouders/milieu of het kind verhoudingsgewijs groter zijn bij interlandelijk adoptie. Nazorg onvolledig Minister Donner van Justitie heeft eisen gesteld aan verplichte nazorg. Op dit moment zijn de vergunninghouders (organisaties die adopties regelen) verplicht om een jaar nazorg te bieden aan ouders. Hoe deze organisaties de nazorg inrichten, mogen zij zelf bepalen. Diverse organisaties hanteren verschillende vormen van nazorg, zoals telefonisch contact of thema avonden. Daarnaast hebben ouders de mogelijkheid om extra nazorg te vragen. Een veel gebruikte vorm is ‘video interactie begeleiding’(VIB). Bij deze preventieve vorm van begeleiding krijgen ouders informatie over een juiste manier van communiceren en het verbeteren van de hechting van het kind. De huidige nazorg wordt als onvolledig gezien. Een conclusie in het rapport "Onderzoek Vereenvoudiging Adoptieprocedure" is dat een veel actievere nazorg op interlandelijke adoptie georganiseerd zou moeten worden. Onderzoek van Hoksbergen laat zien dat vanaf het moment van plaatsing van het kind in het gezin grote behoefte is aan gespecialiseerde hulpverlening. De huidige hulpverlening heeft vaak te weinig specifieke kennis van effecten van verwaarlozing en adoptie. Terwijl ouders wel kennis hebben van complexe opvoedingsproblemen en een hoge mate van betrokkenheid en inzet tonen. Hoksbergen streeft naar een intensief kinderpsychiatrisch onderzoek binnen het eerste jaar na aankomst omdat bij 14% van de kinderen sprake is van ernstige, meervoudige gedragsproblematiek. Bovendien geeft slechte gezondheid bij aankomst aanleiding om psychosociale problemen te verwachten. Hierin wordt hij ondersteunt door dr. Febrici die eveneens aandringt op een directe en volledig medisch en neuro-ontwikkelingsonderzoek. Wanneer ouders zicht hebben op de problematiek kunnen zij direct de juiste steun bieden of een hulpinstantie inschakelen. Het niet aanbieden van steun zal leiden tot een toename van de problemen. Ouders bepalen succes adoptie Adoptiekinderen kennen een moeilijk begin van hun leven. Door de negatieve ervaringen van het kind, kan het in eerste instantie de toenaderingspogingen van de adoptieouders afwijzen. Dit maakt het voor de ouders lastig om door te gaan. Goede begeleiding hierbij is een pré. Hoksbergen:”Ondanks ernstige opvoedingsproblemen en een sterke mate van de beleving 'kind is een belasting' zijn ouders immers toch niet gauw teleurgesteld over hun adoptieavontuur. Hun inzet om de opvoedingsproblemen het hoofd te bieden, blijft groot.” De nazorg kan problemen voorkomen. Maar dan moet deze wel intensiever en gerichter plaats vinden. |