P E D A G O G I E K . N E T

 

donderdag 29 juli 2010

sitemap home
nieuws dossiers thema's portal zoeken
   

NIEUWS

  • Algemeen nieuws
  • Jeugdzorg
  • Onderwijs
  • Opvoeding
  • Wetenschap


    artikel printen

    NIEUWS »


    Meervoudige intelligentie is volgens wetenschappers flauwekul
    publicatiedatum: 22-03-2005 09:32:51 | laatst gewijzigd: 17-12-2006 08:44:08 | auteur: Piet van der Ploeg

    “Vraagt u niet langer: Hoe knap ben jij? Maar vraagt u: Hoe ben jij knap?” Met zulke leuzen verovert de idee van de meervoudige intelligenties het onderwijs (www.meervoudige-intelligentie.nl). “Multiple Intelligences” is een vondst van de Amerikaanse psycholoog Gardner. Hij ontwikkelde de gedachte in de jaren tachtig als tegenwicht van “the idea that intelligence is a single entity, that it results from a single factor, and that it can be measured simply via IQ tests” (Howard Gardner, Multiple Intelligence and education). Volgens Gardner zijn er minstens acht intelligenties. In onderwijskringen vindt Gardner gehoor en wordt zijn conceptie in de praktijk gebracht. Maar wetenschappers zijn sceptisch: er is geen enkel empirisch bewijs en ook theoretisch mankeert er het nodige aan.

    Acht intelligenties

    In onderwijs en bij selectie ligt gewoonlijk de nadruk op verbale en logische vaardigheden. Intelligentie wordt vereenzelvigd met verbaal-linguistische en logisch-mathematische vermogens. Het zijn niet toevallig deze capaciteiten die in intelligentietests worden gemeten en hun uitdrukking vinden in het IQ. Volgens Gardner zijn de gebruikelijke opvatting en praktijk beperkt en eenzijdig.

    Gardners alternatief is dat er meer intelligenties zijn. Aanvankelijk telde hij er zeven, later acht. Los van de verbaal-linguïstische intelligentie en de logisch-mathematische intelligentie onderscheidt Gardner de visueel-ruimtelijke intelligentie, de muzikaal-ritmische intelligentie, de lichamelijk-kinesthetische intelligentie, de naturalistische intelligentie, de interpersoonlijke intelligentie en de intrapersoonlijke intelligentie.

    Populair vertolkt: “word smart, number smart, picture smart, music smart, body smart, nature smart, people smart, self smart”. Voor een overzicht met toelichting en illustratie: Eight ways of being smart of Acht intelligenties.

    Ieder mens heeft in plaats van één IQ “a unique blend of intelligences,” aldus Gardner (1999, 45). Het is “een persoonlijk profiel van sterker en minder sterk ontwikkelde intelligenties” (www.meervoudige-intelligentie.nl). Dit “intelligentiepatroon” is deels aangeboren, maar ook en in ruime mate veranderbaar, bijvoorbeeld door onderwijs.

    Aantrekkelijk

    De idee van Meervoudige Intelligenties (MI) is in onderwijskring aantrekkelijk als antwoord op het probleem van leerlingdiversiteit. De verschillen tussen kinderen qua belangstelling, voorkeuren, niveau en capaciteiten zijn groot. Docenten staan altijd voor de vraag hoe ze met de verschillen aan moeten. Voorts is MI een uitkomst voor leerlingen die het in termen van de traditionele voorstelling en maat van intelligentie niet zo goed doen. De Britse filosoof White ziet hierin afdoende verklaring voor de populariteit van MI:

    "MI theory is all the rage in school reform across the world. … In Britain many schools are using MI as a basis for a more flexible type of teaching and learning, which acknowledges that children have different preferred ‘learning styles’. Not everyone learns best through traditional methods which draw heavily on linguistic and logical skills. … And MI does appear to deliver the goods in terms of inclusion and raising self-esteem. Pupils who used to think themselves dim can blossom when they find out how bright they are making music or interacting with people. Kinaesthetic learners can now see themselves as ‘body smart’. The idea that intelligence is not necessarily tied to IQ has been a liberating force.” (White, 2004)

    MI wordt op verscheidene manieren in het onderwijs toegepast. RPCZ, een gerenommeerde educatieve dienstverlener, die Gardners gedachtengoed in Nederland promoot, noemt er drie:

    “(1) Getalenteerde kinderen op jonge leeftijd op één van de 8 intelligenties opsporen en hen op dat terrein tot hoge ontwikkeling brengen door een gespecialiseerde opleiding. (2) Kinderen testen op hun intelligenties en hen op school vooral aanspreken op hun verder ontwikkelde intelligentie(s). (3) Alle kinderen bereiken door de diverse intelligenties te beschouwen als even zovele ingangen tot de leerstof én zorgen voor een zo ver mogelijke ontwikkeling van de 8 intelligenties.” (RPCZ)

    Promotie en scholing

    Deze drie manier komen in verschillende toonaarden voor in het ruime aanbod van MI-promotie in Nederland. Het aanbod is inderdaad ruim, want RPCZ staat niet alleen. Er zijn concurrerende educatieve dienstverleners die hetzelfde doen, bijvoorbeeld OnderwijsAdviesdat workshops verzorgt voor leerkrachten en schoolleidingen en in samenwerking met onderwijsbegeleidingsdiensten Engelstalige MI-toepassingen voor het Nederlandse onderwijs vertaalt (OnderwijsAdvies).

    Tekenender nog zijn de activiteiten van de Pedagogische Studiecentra, bijvoorbeeld het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) en het Gereformeerd Pedagogisch Centrum (GPC) en de onderwijscentra van Hogescholen, bijvoorbeeld de Marnix Academie en Fontys Hogescholen die met MI aan de weg timmeren. Het APS organiseert workshops en één of meerdaagse werkbijeenkomsten voor scholen die willen kennismaken met MI, verzorgt werkmaterialen en praktijksuggesties en kan ook een “invoeringstraject op maat” aanbieden. En als dat niet genoeg is …

    "Naast individuele scholen kunnen natuurlijk meerdere scholen -bijvoorbeeld binnen een samenwerkingsverband of een bestuur- het APS om begeleiding vragen. Als het mogelijk is wordt dan een netwerk gestart met de andere scholen die meervoudige intelligentie invoeren. Zo ontstaan er kansen om ‘bovenschools’ met en van elkaar te leren en te profiteren van elkaars inspanningen en resultaten.” (Brochure Meervoudige Intelligentie)

    Het GPC beveelt MI aan als “een werkwijze waarbij wordt ingespeeld op talenten en belangstelling van kinderen. Om méér te kunnen leren. Om breder te ontwikkelen. … Meervoudige Intelligentie sluit aan bij wat een christelijke basisschool belangrijk vindt!” (GPC: Meervoudige intelligentie) Het centrum heeft maar liefst vier gecertificeerde trainers in dienst apart voor het ondersteunen van scholen die met MI willen werken. Het GPC heeft ook een eigen MI-gids: Haal méér uit uw leerlingen met Meervoudige Intelligentie.

    Marnix Onderwijscentrum en DOBA Onderwijsadviseurs van de Fontys Hogescholen laten het bij bijscholingscursussen MI, Marnix in het kader van leerlingenzorg en Fontys in het kader van omgaan met verschillende leerstijlen.

    In Nederland is het niet veel anders dan elders als we de Britse filosoof White mogen geloven: “The educational world, including government agencies as well as schools, has gone for MI in a big way” (White, 2004). Een vluchtige screening van Google-treffers bevestigt deze indruk.

    Onwetenschappelijk

    In schrille tegenstelling met deze opmars van MI in het onderwijs staat een uitgesproken scepsis over MI onder wetenschappers. Psychologen en filosofen vinden MI flauwekul.

    Het is hierom geen wonder dat in internationale wetenschappelijke tijdschrijften weinig verwijzingen naar Gardner en MI te vinden zijn. Er wordt alleen over MI geschreven en aan MI gerefereerd in vaktijdschriften gericht op de praktijk van het onderwijs. Uitzondering in de wetenschappelijke bladen vormen artikelen over studies naar lekentheorieën over intelligentie (“lay theories, models and metaphors of intelligence”), van onder anderen Furnham. Lekentheorieën, dat zegt genoeg.

    Belangrijk bezwaar tegen Gardners MI is dat er geen empirische aanknopingspunten voor zijn. MI wordt niet door empirisch onderzoek geschraagd. De Monitor on Psychology, een tijdschrift van de American Psychological Association (APA), verwoordt het bescheiden: “the kinds of quantitative factor-analytic studies that might validate the theory … have never been conducted” (Benson, 2003).

    Verwrongen beeld

    Een ander bezwaar is dat de ontwikkeling van MI en vaak ook de acceptatie van MI ingegeven is door een verwrongen beeld van hoe psychologen gangbaar intelligentie begrijpen en onderzoeken. In een recensie van Gardners eerste uiteenzetting van MI, het boek Frames of Mind: The Theory of Multiple Intelligences (1984), legt de psychologe Scarr in 1985 dit al haarfijn uit. Gardner vecht tegen windmolens: iedere serieuze psycholoog snapt bijvoorbeeld dat de IQ-score geen “inventory of intelligence” is, dat een IQ-test “a sample of intellectual performance” is “in a manageable package”, dat IQ niks zegt over allerlei andere “components of talent and personality” en dat de relevantie van IQ betrekkelijk en beperkt is -“No one ever suggested selecting ballet dancers, cellists, painters, or best friends via an IQ-test (Scarr, 1985, pp. 95, 96). Volgens Scarr wordt Gardner geplaagd door misvattingen over de psychometrische theorie en psychometrisch testen (p. 100).

    Kritiek op IQ-testen doet het goed bij het brede publiek. Dit verklaart volgens de vermaarde intelligentieonderzoeker Eysenck de populariteit van MI: “You only have to attack the IQ to become famous and popular; however nonsensical the attack, and however weak the alleged evidence for your system” (1998, p. 109).

    "Flaky and flawed psychology"

    Gardner slaagt er naar het oordeel van de psychologe Scarr niet goed in intelligentie te onderscheiden van algemenere en andere kenmerken, bijvoorbeeld vaardigheden, competenties, vermogens en persoonlijkheidskenmerken. Volgens Scarr herdefineert Gardner bijna alle menselijke kenmerken als intellectueel (1985, p. 97). Het is voor Scarr bovendien onnavolgbaar hoe hij selecteert. Zijn criteria voor de definitie van intelligentie lijken niet verenigbaar met sommige van de intelligenties die hij wel onderscheidt. Ondertussen lijken, andersom, talenten die Gardner niet als intelligentie erkent, wel aan de criteria te voldoen.

    De al eerder aangehaalde filosoof White heeft dezelfde klacht als Scarr. In een lezing vraagt hij zich af: “How does Gardner pick out his intelligences? How does he identify them?” De titel van de lezing verraadt wat White van het antwoord vindt: Howard Gardner: The myth of Multiple Intelligence (2004). Volgens Gardner bestaat er een beperkt aantal intelligenties. Maar wanneer mag iets intelligentie heten? White laat zien hoe Gardner drie voorwaarden en acht criteria stelt.

    De drie voorwaarden zijn dat er sprake is van “a set of skills of problem-solving”, “the potential for finding or creating problems” en “some importance within a cultural context". White test en vergelijkt de voorwaarden en concludeert dat Gardners selectie van intelligenties niets te maken heeft met empirisch onderzoek van individuen en van de werking van het brein.

    “It has all to do with reflecting on the social world –specifically that part of the social world concerned with intellectual activities and achievements. To be an intelligence is –so far- the same as being a separable realm of understanding.”

    Over de criteria is White even kritisch. Gardner noemt er acht:

    1. “potential isolation of the area by brain damage
    2. the existence in it of idiots savants, prodigies and other exceptional individuals
    3. an identifiable core operation/set of operations
    4. a distinctive developmental history, along with a definable set of expert 'end-state' performances
    5. an evolutionary history and evolutionary plausibility
    6. support from experimental psychological tasks
    7. support from psychometric findings
    8. susceptibility to encoding in a symbol system."

    Waarom juist deze acht criteria gehanteerd moeten worden, verantwoordt Gardner nergens, aldus White. Voorts is onduidelijk hoe ze precies toegepast moeten worden. Hier komt nog bij dat Gardner aangeeft dat iets ook best een intelligentie kan zijn zonder aan alle acht criteria te beantwoorden. “The identification of intelligences appears, then to be a subjective matter,” concludeert White.

    White’s oordeel over MI weerspiegelt het algemene oordeel onder psychologen: het is “flaky and flawed psychology”.

    Praktijk versus wetenschap

    In het oktobernummer van 2006 van het Nederlandse vaktijdschrift voor leraren basisonderwijs De Wereld van het Jonge Kind wordt onder de sprekende kop “Iedereen is knap” vier pagina’s lang Meervoudige Intelligentie aangeprezen als prima theorie: wetenschappelijk verantwoord (“Gardner, een van de belangrijkste denkers in de psychologie”) en in de praktijk sukses verzekerd.

    In het oktobernummer van 2006 van het internationale wetenschappelijk tijdschrijft Intelligence doen drie wetenschappelijk onderzoekers verslag van hun serieuze poging middels geavanceerd onderzoek de theorie te bevestigen. “We investigated Gardner's ‘Theory of Multiple Intelligences’… For each of the hypothesized eight ‘intelligence’ domains … we selected two tests based on Gardner's description of its content.” De verschillende testen wijzen uit dat de theorie niet deugt: de ‘intelligenties’ laten zich niet onderscheiden zoals Gardner beweert. “The results are difficult to reconcile with the core aspects of MI theory.” Conclusie van de onderzoekers ligt voor de hand. Ze verwoorden haar bescheiden:

    “Without further research, it seems premature for schools and parents to embrace school curriculums based on Multiple Intelligences theory. This recommendation of a cautious approach to the adoption of strategies based on Multiple Intelligences theory does not imply that students should not be treated as individuals with unique ability profiles. However, the findings of the current study do suggest that Multiple Intelligences theory does not provide any new information beyond that already contributed by hierarchical models of ability, and should not be considered a basis for classroom planning.” (Visser, Aston & Vernon 2006)

    Bronnen:
  • Benson, E. (2003) 'Breaking New Ground'. Monitor on Psychology, February 2 2003.
  • Eyssenck, H. (1998) Intelligence: a new look. London: Transaction Publishers.
  • Furnham, A. (2001) 'Self-estimates of intelligence: culture and gender difference in self and other estimates of both general (g) and multiple intelligences'. Personality and Individual Differences, 31, 1381-1405.
  • Lokhoff, H. (2006). Iedereen is knap! De Wereld van het Jonge Kind, 34, blz. 34-37.
  • Scarr, S. (1985) 'An Author's Frame of Mind'. New Ideas in Psychology, 3 (1), 95-100.
  • Visser, B.A., Aston, M.C. & Vernon, Ph.A. (2006). Beyond g: Putting multiple intelligences theory to the test. Intelligence, 34, pp.487-502.
  • White, J. (1998) Do Howard Gardner's multiple intelligences add up? London: Institute of Education University of London.

    Internet links:
  • APS: Meervoudige intelligentie
    Brochure Algemeen Pedagogisch Studiecentrum over MI
  • GPC: Meervoudige intelligentie
    Site Gereformeerd Pedagogisch Centrum over MI
  • Haal méér uit uw leerlingen met Meervoudige Intelligentie
    Brochure Gereformeerd Pedagogisch Centrum
  • Howard Gardner, Multiple Intelligence and Education
    Beschrijving van MI en biografische informatie over Gardner.
  • RPCZ: Meervoudige Intelligentie
    Site RPCZ over MI

    Documenten:
    Howard Gardner: the myth of Multiple Intelligences
    John White, Lecture at Institute of Education University of London, November 17, 2004.

       
    naar boven

    colofon | disclaimer | © 2000-2006 pedagogiek.net